Home / Nieuwsbrieven / Nieuwsbrief Echtscheiding / Pensioenafwikkeling bij scheiden, een onderbelicht thema

Pensioenafwikkeling bij scheiden, een onderbelicht thema

29/06/2017

Op 13 juni jl. heeft Staatssecretaris Klijnsma de Tweede Kamer per Kamerbrief geïnformeerd over de evaluatie van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: Wet VPS). Zij gaat hierbij ook in op een tweetal onderzoeken die zijn uitgevoerd ten aanzien van de pensioenafwikkeling bij scheiding. Uit een recent onderzoek van Wijzer in geldzaken is gebleken dat het pensioen in meer dan 1 op de 3 scheidingen niet aan de orde komt. Van de ondervraagden waarbij de pensioenverdeling wel aan de orde is geweest, geeft 34% aan ontevreden te zijn over de manier waarop het pensioen na de scheiding is geregeld. Afgelopen week heeft Stichting Pensioenregister een onderzoek gepubliceerd waarin 69% van de gescheiden vrouwen aangeeft het onderwerp pensioen niet tijdens de scheiding te hebben besproken. Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat er door familierechtadvocaten, mediators of de scheidingsconsument zelf onvoldoende aandacht wordt besteed aan het pensioen bij scheiding. Dit kan tot zeer vervelende situaties leiden waarbij ex-partners jaren na de scheiding alsnog via gerechtelijke procedures pensioenverevening vorderen of blijven zitten met een fors pensioentekort. (Financieel) echtscheidingsadviseurs kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het beter begeleiden van de scheidingsconsument ten aanzien van het afwikkelen van pensioen bij scheiding. Hieronder gaan wij in op de genoemde Kamerbrief en in het verlengde hiervan waar de kansen liggen om de scheidingsconsument beter te begeleiden.

Knelpunten pensioen bij scheiding
De Staatssecretaris bevestigt in haar Kamerbrief het belang van meer bekendheid met de regeling omtrent pensioenverdeling bij zowel burgers als scheidingsprofessionals.
De belangrijkste knelpunten zijn volgens haar:

  • het beperkte gebruik van de wet (of afwijkingen hiervan);
  • de onbekendheid met de wettelijke regels en de afwijkingsmogelijkheden bij burgers en scheidingsbegeleiders;
  • de melding van de scheiding bij pensioenuitvoerders;
  • de kosten die pensioenuitvoerders in rekening mogen brengen.

De knelpunten rondom de melding van de scheiding bij pensioenuitvoerders zitten vooral in het feit dat de melding binnen 2 jaar na scheiding moet gebeuren om een rechtstreeks recht op uitbetaling vanuit de pensioenuitvoerder te krijgen. Indien men deze melding niet tijdig heeft gedaan zal er in beginsel aan de ex-partner moeten worden verzocht het te verevenen ouderdomspensioen vanaf de pensioeningangsdatum uit te betalen. Omdat deze datum in de meeste gevallen in de verre toekomst ligt, is het maar de vraag of er tegen die tijd voldoende bereidheid is bij de vereveningsplichtige partner de gelden aan de ex-partner over te maken. Vooral als de pensioenafwikkeling niet is besproken tijdens de scheidingsprocedure kan dit tot vervelende discussies en gerechtelijke procedures leiden. De Staatssecretaris heeft aangegeven uit te zoeken of de meldtermijn moet worden aangepast. U kunt als (scheidings)professional uw cliënten wijzen op deze meldtermijn.

Pensioenuitvoerders mogen voor het verevenen van pensioenaanspraken kosten in rekening brengen of in mindering brengen op de uit te betalen pensioentermijnen1. Indien er bij een scheiding meerdere pensioenuitvoerders betrokken zijn en deze uiteenlopende kosten in rekening brengen, leidt dat in de praktijk tot verontwaardiging bij deelnemers2. In de Kamerbrief wordt een oproep gedaan dat de sector hierover tot sectorbrede uniforme afspraken komt.

Hieronder gaan wij in op het beperkte gebruik van de wet en de mogelijkheden die deze wet biedt.

Pensioenverrekening
Het is niet alleen van belang dat men bekend is met de wettelijke regeling, maar ook met de mogelijkheden tot afwijking hiervan. Volgens de Kamerbrief vinden afwijkingen van de wettelijke regeling nauwelijks plaats. Naar onze mening wordt de afwikkeling van het pensioen veel te weinig gebruikt als instrument voor financiële planning en daarmee optimalisatie van de financiële situatie van partners die uit elkaar gaan. Wij zullen dit hieronder toelichten aan de hand van een voorbeeld:

Voorbeeld
Mike en Vivian besluiten na 20 jaar huwelijk (gemeenschap van goederen) te gaan scheiden. Aangezien hun drie kinderen zeer gehecht zijn aan de woning en leefomgeving, vinden Mike en Vivian het van groot belang dat Vivian met de kinderen in de woning kan blijven wonen. De woning is op het moment van scheiden € 350.000 waard. Er rust een hypotheek van € 250.000 op de woning. Als Vivian de woning wil overnemen van Mike, zal zij in beginsel € 50.000 aan Mike moeten voldoen. Vivian heeft echter onvoldoende vermogen om dit te kunnen bewerkstelligen. Er zijn voor haar in dit voorbeeld ook geen mogelijkheden om het bedrag te financieren. Als er niet verder wordt gekeken dan deze opties zou dit betekenen dat de woning verkocht zal moeten worden.

Mike heeft echter een ruim ABP-pensioen opgebouwd, waarbij de contante waarde van het ouderdomspensioen op moment van scheiden in totaal € 400.0003 bedraagt. Vivian heeft volgens de wettelijke regeling recht op 50% van het tijdens het huwelijk door Mike opgebouwde ouderdomspensioen (€ 200.000) en het volledige nabestaandenpensioen. Indien Vivian hier voor openstaat zou zij een kwart van het pensioen waar zij recht op heeft kunnen verrekenen met de door haar aan Mike te betalen overbedelingsvordering. Hierdoor zou zij toch met de kinderen in de echtelijke woning kunnen blijven wonen.

Uit bovenstaand voorbeeld blijkt dat de afwikkeling van pensioenen bij scheiding een belangrijk instrument kan zijn om tot creatieve oplossingen te komen. Het is van groot belang dat cliënten hierbij goed worden geïnformeerd over de fiscale aspecten en de gevolgen die de pensioenafwikkeling heeft voor hun financiële situatie. De fiscale gevolgen van de beschreven afwikkeling zijn groot. Hetgeen Vivian ontvangt ter verrekening van haar pensioen wordt fiscaal namelijk als inkomen gezien4. Dat heeft de volgende gevolgen:

  • Vivian zal inkomstenbelasting moeten betalen over € 50.000;
  • Vivian wordt aangeslagen voor de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW;5
  • de algemene heffingskorting wordt door het hogere inkomen uit werk en woning verlaagd;6
  • eventuele toeslagen worden verlaagd doordat het verzamelinkomen wordt verhoogd.

Goed financieel en fiscaal advies biedt uitkomst:
De (waarde van de) vergoeding kan in beginsel door Mike als persoonsgebonden aftrek in mindering worden gebracht op zijn belastbare inkomen.7 Mike en Vivian dienen in samenhang met hun afspraak over de afwikkeling van de woning en het pensioen elkaar in het jaar van ontbinding van het fiscaal partnerschap aan te merken als fiscaal partner voor het gehele jaar.8De persoonsgebonden aftrek van Mike dient te worden toegerekend aan Vivian.9 Per saldo zal het inkomen uit werk en woning bij Vivian met + € 50.000 (belastbare periodieke uitkering en verstrekking) – € 50.000 (persoonsgebonden aftrek Mike) = € 0 worden beïnvloed. Wel zal zij (afhankelijk van de fiscale situatie) inkomensafhankelijke premie voor de zorgverzekeringswet dienen te betalen. Mike en Vivian kunnen afspreken dat zij dit bedrag beiden voor de helft voldoen. Hierdoor wordt deze route nagenoeg fiscaal neutraal doorlopen. Vivian kan nu met de kinderen blijven wonen.

Conversie
Naast de wettelijke regeling en de mogelijkheid tot pensioenverrekening is het ook mogelijk om pensioenconversie te laten plaatsvinden. Dit houdt in dat het te verevenen ouderdomspensioen en het bijzonder nabestaandenpensioen worden omgezet in een zelfstandig recht op ouderdomspensioen afhankelijk van het leven van de vereveningsgerechtigde.

Deze methode is zeer relevant in situaties waarbij er sprake is van een groot leeftijdsverschil. Bij een groot leeftijdsverschil bestaat immers de onrechtvaardige situatie dat bij het verdelen van het pensioen conform de standaardmethode de vereveningsgerechtigde partner, die vele jaren ouder is dan de vereveningsplichtige partner, pas pensioen op een (aanzienlijk) hogere leeftijd krijgt dan de vereveningsplichtige. Als gevolg van de standaardmethode sluit de pensioendatum immers aan bij de pensioeningangsdatum van de vereveningsplichtige. Dit kan tot gevolg hebben dat de vereveningsgerechtigde partner vanaf zijn daadwerkelijke pensioenleeftijd nog jaren zonder het te verevenen pensioen van de vereveningsplichtige komt te zitten. Door de verruiming van de AOW-leeftijd kan het leeftijdsverschil tussen ex-partners een steeds groter obstakel vormen.

In de hierboven genoemde situatie waarin de vereveningsgerechtigde partner vele jaren ouder is dan de vereveningsplichtige partner, zou er bij de scheiding gekozen kunnen worden om pensioenconversie toe te passen. Conversie houdt in dat de rechten uit hoofde van het te verevenen ouderdomspensioen en het bijzonder nabestaandenpensioen worden omgezet in een zelfstandig recht op ouderdomspensioen. De ingangsdatum van de pensioenuitkeringen is in dat geval gerelateerd aan de leeftijd van de vereveningsgerechtigde partner. Overlijden van één van beide ex-partners heeft na de conversie voor beide ex-echtgenoten geen financiële gevolgen meer voor hun pensioenvoorzieningen. Conversie is alleen mogelijk als partijen hier samen overeenstemming over bereiken en de pensioenuitvoerder hiervoor toestemming geeft. Het is dus geen wettelijk recht. Indien de pensioenuitvoerder het verzoek tot conversie goedkeurt, is de conversie definitief en niet meer terug te draaien.

Voordelen conversie voor de vereveningsplichtige partner:
Het ouderdomspensioen van de vereveningsplichtige echtgenoot zal hoger zijn dan in de situatie waarbij niet geconverteerd wordt. De vereveningsplichtige partner krijgt namelijk een vergoeding voor het feit dat zijn ouderdomspensioen niet aangroeit als de vereveningsgerechtigde partner komt te overlijden.

Nadelen conversie voor de vereveningsplichtige partner:
Door de conversie groeit bij eventueel overlijden van de vereveningsgerechtigde partner het ouderdomspensioen niet meer aan bij de vereveningsplichtige partner.

Voordelen conversie voor de vereveningsgerechtigde partner:
Door de conversie wordt de waarde van het aanwezige bijzondere nabestaandenpensioen omgezet in een zelfstandig ouderdomspensioen. Het ouderdomspensioen is nu afhankelijk van de leeftijd van de vereveningsgerechtigde. De vereveningsgerechtigde is niet meer afhankelijk van het moment waarop de ex-partner met pensioen gaat.

Nadelen conversie voor de vereveningsgerechtigde partner:
Door het omzetten van het bijzonder nabestaandenpensioen in een zelfstandig ouderdomspensioen is er geen recht meer op een voorziening bij overlijden van de vereveningsplichtige. Hier kan behoefte aan zijn in geval de vereveningsplichtige ex-echtgenoot ook onderhoudsplichtige is. De alimentatie komt door onverhoopt overlijden immers te vervallen.

De Staatssecretaris heeft in haar Kamerbrief aangegeven te willen onderzoeken of de wettelijke regeling nog wel aansluit bij de hedendaagse maatschappij. Daarbij wil zij kijken naar de mogelijkheden om rekenregels voor conversie op te stellen en het huidige recht van pensioenuitvoerders om niet in te stemmen met conversie.

Gelet op bovenstaande is het van groot belang dat een scheidingsprofessional kennis heeft van de mogelijkheid tot conversie en cliënten hierover kan adviseren.

Pensioenverevening in andere verhouding dan 50/50
Het is ook mogelijk om pensioen in een andere verhouding dan 50/50 te verevenen. Hieronder zullen wij een voorbeeld geven wanneer dit een handige optie kan zijn om tegemoet te komen aan de wensen van cliënten.

Voorbeeld
Bart (64 jaar) en Inge (54 jaar) gaan na 30 jaar huwelijk scheiden. Het door Bart tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen is € 20.000 op jaarbasis. Het door Inge tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen bedraagt € 10.000 op jaarbasis. Bart en Inge zijn het er over eens dat de wettelijke regeling zeer nadelig voor Bart uitpakt. Bart ontvangt immers pas in een veel later stadium (en op hogere leeftijd) het door Inge te verevenen ouderdomspensioen. Conversie is echter geen optie omdat Inge het van belang vindt dat zij haar recht op het nabestaandenpensioen behoudt.

Bart en Inge zouden er voor kunnen kiezen om het te verevenen ouderdomspensioen van Bart in de verhouding 75/25 te verevenen en het te verevenen ouderdomspensioen van Inge in de verhouding 100/0. In een dergelijke situatie ontvangt Bart vanaf pensioengerechtigde leeftijd een ouderdomspensioen van € 15.000 per jaar. Inge ontvangt vanaf datzelfde moment € 5.000 ouderdomspensioen per jaar en op haar eigen pensioengerechtigde leeftijd € 10.000 extra per jaar. Voor hen voelt deze afspraak mogelijk rechtvaardiger.

Verruiming partnerbegrip Wet VPS
De Wet VPS is alleen van toepassing op gehuwden en geregistreerde partners. De Staatssecretaris wil onderzoeken wat de (financiële) consequenties zouden zijn als het partnerbegrip in de Wet VPS zou worden uitgebreid met ongehuwd samenwonenden. Eventueel zou dit kunnen worden beperkt tot de samenwonenden met een samenlevingscontract. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheid om ook voor samenwonenden een recht op uitbetaling vanuit de pensioenuitvoerder te creëren. Op dit moment zit er een verschil tussen het partnerbegrip en het scheidingsbegrip in de Wet VPS en in de Pensioenwet (PW).

Omdat samenwoners van rechtswege geen recht hebben op pensioenverevening wordt verevening tot op heden in samenlevingsovereenkomsten niet uitgesloten. Als samenwoners in de toekomst mogelijk wel recht hebben op pensioenverevening, en zij dit niet wensen, dienen zij dit expliciet in hun samenlevingsovereenkomst uit te sluiten. Het is voor deze groep mensen raadzaam om deze uitsluiting ook nu al op te nemen in hun samenlevingscontract. Hierdoor is het duidelijk wat zij over en weer van elkaar kunnen verwachten en wordt ingespeeld op eventuele toekomstige wetgeving.

Een ander belangrijk verschil is dat voor het te verevenen ouderdomspensioen alleen het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen dient te worden verevend, terwijl het bijzonder nabestaandenpensioen ook ziet op het voorhuwelijks opgebouwde bijzonder nabestaandenpensioen. Met de invoering van de beperkte gemeenschap van goederen per 1 januari 2018, waarbij er in principe uitsluitend een gemeenschap van goederen bestaat tijdens het bestaan van het huwelijk, is het de vraag of de regeling ten aanzien van het bijzonder nabestaandenpensioen moet worden herzien. Ook dit zal de Staatssecretaris onderzoeken.

Conclusie
Helaas moeten wij tot de conclusie komen dat de pensioenafwikkeling bij scheiding nog steeds een onderbelicht agendapunt is. Dat is extra vreemd aangezien deze zorgen ook al geuit werden in de eerste evaluatierapporten ruim 10 jaar geleden. In onze ogen kan de (financiële) scheidingsprofessional een belangrijke rol vervullen bij het begeleiden van een zorgvuldige pensioenafwikkeling. Cliënten dienen te worden geïnformeerd over hun wettelijke rechten en de verschillende afwijkende mogelijkheden. Er zijn veel situaties denkbaar waarbij cliënten gebaat zijn bij creatieve oplossingen ten aanzien van het afwikkelen van de pensioenen bij scheiding. Hierdoor wordt de kans vergroot dat de wensen van cliënten kunnen worden uitgevoerd. Ook wordt de kans op toekomstige conflicten en in het verlengde daarvan juridische procedures kleiner. Daarmee is de scheidingsconsument geholpen!

In het voorgaande hebben wij een aantal thema’s rondom pensioenafwikkeling bij scheiding toegelicht. Er valt echter nog veel meer over dit onderwerp te schrijven. Mocht u vragen of opmerkingen hebben, neemt u dan gerust contact op met het kenniscentrum van de ScheidingsDeskundige.

Wilt u zich verder verdiepen in pensioenafwikkeling bij scheiding en overige aspecten van het scheidingsproces? Mogelijk is onze opleiding tot Financieel Echtscheidingsadviseur interessant voor u. In september 2017 starten wij weer met 2 opleidingsrondes. U kunt op onze website meer informatie vinden over deze opleidingen.

1Art. 6 lid 1 Wet VPS
2Kamerbrief Evaluatie Wet VPS 13 juni 2017
3Na toepassing van een belastinglatentie
4Art. 3.102 lid 3 onder a Wet IB 2001
5Art. 43 ZVW
6Art. 8.10 Wet IB 2001
7Art. 3.102 lid 3 jo. Art. 6.3 lid 1 onder d Wet IB 2001
8Art. 2.17 lid 7 Wet IB 2001
9Art. 2.17 lid 5 onder c Wet IB 2001

X

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten