Hufterigheid in verkeer terugdringen

Hufterigheid in verkeer

678. Dat is het aantal mensen dat in 2018 bij een verkeersongeval om het leven kwam. Een veelvoud van dit aantal mensen raakte zwaar gewond. De slachtoffers zullen levenslang elke dag de nadelige gevolgen van die ene seconde van de klap ervaren.

We leven in een samenleving met wetten en regels. Zonder het misschien te beseffen gaan we de hele dag overeenkomsten met elkaar aan. De bakker die een brood verkoopt, sluit een koopovereenkomst. De financieel adviseur die een consument helpt bij het vinden van een goede hypotheek sluit een opdracht tot dienstverlening.Het zijn allemaal afspraken over hoe we met elkaar willen omgaan.

Het rechtsgebied waarmee mensen het meest frequent te maken hebben, is het verkeersrecht. Een set afspraken die we als samenleving met elkaar hebben gemaakt. Afspraken die, indien iedereen deze zou naleven, de kans op ernstige ongevallen, minimaliseren.

Echter, het tegenovergestelde is te zien. Trends die in de samenleving op veel plekken zijn waar te nemen, doen zich in verhevigde mate in het verkeer voor. Een mentaliteit van ‘Ik doe wat ik wil’ voert de boventoon.

Ik ben bang dat het ontbreken van respect voor de verkeersregels die we met elkaar hebben afgesproken steeds meer uitwaaiert naar de andere afspraken die we in onze samenleving met elkaar hebben gemaakt. Er is toch geen reden om te verwachten dat mensen die verkeersregels aan hun laars lappen vervolgens wel keurig de andere afspraken binnen onze samenleving nakomen?

Hufterigheid terugdringen

Wil de samenleving leefbaar blijven dan zullen we de hufterigheid in het verkeer moeten terugdringen en zorgen dat de elementaire afspraken weer worden nageleefd. Niet alleen om het aantal verkeersslachtoffers terug te dringen, maar ook om in breder perspectief te zorgen dat wetten en regels die nodig zijn om onze samenleving goed te laten functioneren, gerespecteerd worden.

Ik ben ervan overtuigd dat dit kan. Maar het vereist politieke moed. We blijken het namelijk niet te redden met alleen boetes. En ook het innemen van het rijbewijs is onvoldoende. Ik denk ook omdat deze sancties ‘voor de buitenwereld’ niet direct zichtbaar zijn. De afschrikkende werking is evident niet sterk genoeg. En de impact verschilt. Immers de sanctie is gelijk ongeacht iemands inkomen of vermogen.

Drastischer maatregelen

Ik ben daarom een warm voorstander van drastischer maatregelen. En die zijn wat mij betreft dat bij een aantal gevaarzettende handelingen die mensen in het verkeer bewust maken, de sanctie is dat het motorrijtuig waarmee het delict is begaan voor een periode van zes maanden in beslag wordt genomen. En bij een tweede delict binnen een bepaalde periode wordt het motorrijtuig verbeurd verklaard. Dat doet echt pijn, want buren en vrienden zien het, maar ook omdat de auto voor velen het verlengde van hun persoonlijkheid is.

Over welke delicten hebben we het dan? Ik denk dan aan delicten als dronken rijden, harder rijden dan 30 km, blijven rijden over afgekruiste weggedeelten. En ja ook aan gebruik van de mobiele telefoon tijdens het rijden.

Ik denk het zeker te weten: Bij genoeg toezicht behoren dit type overtredingen binnen een paar maanden tot het verleden. Want de boete dragen we manmoedig onder het motto “shit happens”. Maar de heilige koe zes maanden kwijt raken, laat staan definitief, dat is iets anders.

Is de sanctie te zwaar? Hoe redelijk is het om een automobilist die tweemaal de fout ingaat zijn auto van meer dan 100.000 euro te ontnemen? Dat is mijns inziens heel redelijk, omdat de automobilist willens en wetens zijn eigen genot boven de veiligheid van anderen stelt.
We moeten af van de idee dat het mogen rijden in een auto een soort absoluut recht is. Het is een gunst onder de conditie dat je anderen niet bewust in gevaar brengt. Het ontnemen van dat recht omdat je bewust anderen in gevaar brengt, dat doet pijn. Het weegt niet op tegen het leed van die honderdduizenden gewonden en duizenden nabestaanden dat in de komende jaren als gevolg van bot egoïsme in het verkeer zal blijven ontstaan.
Maar zoiets vraagt dus politieke moed.

Deze blog verscheen op VVPonline.nl d.d. 23 april 2019.

AFM: Waakhond of schoothondje?

AFM: Waakhond of schoothondje?

De oud-voorzitter van de AFM, Arthur Docters van Leeuwen, was en is een imposant figuur. In vergaderingen en bilaterale contacten wist iedereen dat je bij hem geen flauwekul hoefde te verkopen. Zoals een van de voorzitters van een beroepsorganisatie ontdekte toen die in het kader van de invoering van de Wfd, de voorloper van de Wft, zaken probeerde te traineren. De reactie van Docters van Leeuwen was messcherp: “De trein vertrekt nu. U mag op het station blijven staan. Dan stapt u de volgende keer dat de trein langskomt maar in”.

Recenter zagen we de waarnemend voorzitter, Theodor Kockelkoren, gedreven en overtuigd van zijn visie. In het kader van de Sire-campagne Doe eens lief – waarmee onaardige opmerkingen moeten worden bestreden – mag ik niet zeggen wat veel bestuurders echt dachten. Laat ik het daarom netjes zeggen: ze vonden Theodor lastig.

Twin Peaks

Wat niet ter discussie stond is dat de AFM bestaat en iedereen weet wat haar bestaansrecht is: beschermen van de belangen van de consument. Dat beeld klopt met de politieke keuze om binnen de financiële sector twee toezichthouders te hebben: het Twin Peaks-model. De Nederlandsche Bank voor het toezicht op de financiële stabiliteit van banken en verzekeraars en de Autoriteit Financiële Markten voor het toezicht op een juiste behartiging van de belangen van de klanten van die financiële instellingen. Iedereen beseft dat door deze tweedeling spanning kan ontstaan. Mooie rendementen zijn positief voor de solvabiliteit van de financiële instelling, maar minder goed voor de portemonnee van de consument.

Lijn van DNB

De vraag is of dit Twin Peaks-model nog werkt. Ik twijfel. Ik zie de AFM een terugtrekkende beweging maken in het rentederivatendossier. Een dossier dat banken tegen een miljard aan schade heeft bezorgd. Ik zie een AFM slaafs de lijn van DNB volgen in het beleid rondom aflossingsvrije hypotheken. Een beleid waarbij evident onvoldoende aandacht wordt gegeven aan de belangen van individuele consumenten. Ik zie een schimmige affaire rondom Conservatrix, waarbij het opnieuw de vraag is of de belangen van de consumenten voldoende bewaakt zijn. Ik zie bij Kifid een bulk aan klachten over boeterentes, risico-opslagen en rentemiddeling bij hypotheken, zonder dat ik enig spoor zie van beleid om deze klachten tegen te gaan.

Grommen en bijten

Ik zie veel waarvan ik te vaak denk: ik snap dit vanuit het perspectief van DNB. Maar ik snap niet waarom de AFM hierin meegaat. Daar denk ik over na. Natuurlijk is het lastig wanneer twee toezichthouders rollebollend met elkaar over straat gaan. Dat je afspraken maakt om te proberen tegengestelde beleidsopvattingen netjes achter de voordeur te regelen snap ik. Maar hoe ver moet dit gaan?

De AFM is toch de waakhond die de belangen van de consument moet beschermen? Een waakhond moet af en toe grommen en incidenteel bijten. Maar, wanneer de waakhond zich gaat gedragen als schoothondje van DNB, laten we dan niet langer de schijn ophouden en het Twin Peaks-model formeel begraven en beide organisaties in elkaar laten vloeien. Dat is dan helder en scheelt waarschijnlijk veel geld.

Deze blog verscheen eerder als column in am:magazine 47.

Solidariteit

De AFM en DNB maken zich zorgen over de ontwikkeling van de solidariteit binnen het verzekeringswezen. Ik denk dat deze zorgen terecht zijn. Het aantal verzekeringsmaatschappijen daalt. De overblijvers worden groter en groter. Om de efficiency te vergroten vindt stroomlijning van het productassortiment plaats. Daarbij wordt gekozen voor de grootste gemene deler. Alleen al hierdoor wordt het voor mensen met afwijkende risico’s lastiger om verzekeringsdekking te vinden.

Gestimuleerd door de beschikbaarheid van grote massa’s data neemt ook de kennis en het gebruik van data-analyse toe. Hierdoor kunnen risico’s steeds beter vooraf worden ingeschat. Dit heeft als  resultaat dat ook de acceptatievoorwaarden en in het verlengde daarvan de verzekeringspremie steeds directer één op één gerelateerd worden aan het voorliggende risico.

Deze individualisering van de acceptatievoorwaarden wordt nog eens versterkt door geautomatiseerde acceptatieprocessen die werken met algoritmes. Beslisregels die niet transparant zijn en in de kern tot doel hebben onderscheid tussen mensen te maken. Deze algoritmes kunnen zo ver gaan dat “het programma” meer weet over de klant dan de klant zelf, waarbij ervaringen uit het verleden maatgevend worden voor de toekomst.  Verkeerde inzet van algoritmes leiden ertoe dat ik wel eens denk dat het liedje van Louis Davids “als je voor een dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje na ruim 80 jaar nog steeds geldt.  Sociale selectie heeft zich ontwikkeld tot technologische selectie. Niet echt een vooruitgang om trots op te zijn.

Waar we ook niet trots op hoeven te zijn, is de constatering dat we leven in een tijd waarin politieke partijen die hun overtuiging vooral via hun middelvinger laten zien,  opmerkelijk veel draagvlak blijken te kunnen mobiliseren.  Hier zien we de politiek teruggebracht tot het behartigen van het eigen belang met ook hier het eindbeeld van afname van solidariteit.

Het is dan mooi om te zien dat een verzekeraar als ASR start met een campagne Dit is de tijd van doen.  Een opvallend appèl om niet alleen maar te blijven praten wat we zouden moeten doen om de samenleving iets beter te maken,  maar om op te staan en ook echt eens iets concreets aan te pakken. Langzaam maar zeker vult de site van ASR zich met mooie en lieve voorbeelden die laten zien hoe gewone mensen hier invulling aan geven. Mensen die in hun eigen leefomgeving door op te staan en iets te gaan doen de straat en wijk weer iets leuker maken. Dit is de tijd van doen is vooral een oproep tot verbinding en solidariteit.

Solidariteit betekent binnen ons werkgebied ook kritisch kijken naar de acceptatievoorwaarden en premiestelling. Natuurlijk moet er onderscheid zijn. Maar wel op de factoren die mensen zelf kunnen beïnvloeden.  Of je in Bloemendaal gaat wonen of in een achterstandswijk in Den Haag is niet iets waarvan de gemiddelde Nederlander het gevoel heeft dat hij zelf die keuze maakt.

Meer aandacht voor solidariteit betekent ook dat we met een open geest naar het provisie-verbod moeten kijken.  Dat vraagt van heel veel ego’s om even opzij te stappen. Om vervolgens open te staan om eerlijk de vraag te beantwoorden of het provisieverbod nu  juist de mensen treft die het hardst advies nodig hebben. Niet alleen bij aanschaf van financiële producten, maar ook in de beheer fase.

Ik pleit er niet voor om, in het kader van meer aandacht voor solidariteit, terug te keren naar de ouderwetse provisie die teveel het karakter had van de worst voor de neus van de hongerige hond.

Maar er zijn alternatieven denkbaar.  Of die ook echt werkbaar zijn in de praktijk? Dat is iets waar me met elkaar over zouden moeten praten. Niet met het doel om de eigen portemonnee ten koste van de ander te vullen.  Wel om te kijken hoe we meer consumenten echte zekerheid kunnen bieden.

Deze blog verscheen op het New Financial Forum – Het platform voor de nieuwe financiële wereld!

Nationale Hypotheek Garantie (NHG): voorbeeld van misleiding?

Jurjen Oosterbaan-Martinius

Eind december heeft de AFM de herziene beleidsregel informatieverstrekking gepubliceerd. Huiselijk gezegd gaat het om een document waarin de AFM de financiële sector helpt om zorgvuldig te communiceren met de consument.

Die zorgvuldigheid komt wel eens in het gedrang wanneer we de positieve eigenschappen van een product of dienst iets te veel aandacht geven en de negatieve eigenschappen iets te weinig. In de beleidsregel informatieverstrekking staan tal van voorbeelden die de AFM in de praktijk is tegengekomen. Als we erover nadenken, dan moeten we inderdaad toegeven dat sommige informatie bij de consument tot misverstanden kan leiden.

Het lezen van de beleidsregel informatieverstrekking is dus eigenlijk ook een stimulans om ons dagelijks taalgebruik richting de consument te zuiveren.

Een van de hoofdstukken gaat over “misleiding”. Bij de inleiding van dit hoofdstuk merkt de AFM het volgende op:

Informatie is misleidend als de lezer op het verkeerde been wordt gezet. Dit is overigens niet beperkt tot tekstuele informatie; ook afbeeldingen en grafieken en dergelijke kunnen niet- duidelijk en/of misleidend zijn. Ook door de presentatie van de informatie mag de consument niet op een misleidende wijze worden beïnvloed in zijn beslissing. Of sprake is van niet-duidelijke informatie of van misleiding, hangt af van de specifieke casus. Het is hierbij niet van belang of de opsteller van de informatie bewust of onbewust de consument misleidt.

Toen ik dat las moest ik denken aan een recente uitspraak van de Geschillencommissie KiFid waarin de Nationale Hypotheek Garantie centraal stond. In deze uitspraak ging het om een consument die door onvrijwillig verlies van arbeidsinkomen zijn woning moest verkopen en met een restschuld bleef zitten van ruim € 80.000,– Gelukkig was het een hypotheek met een NHG. De bank werd door NHG schadeloos gesteld. Maar tot ontzetting van de consument ging NHG dit uitbetaalde bedrag verhalen op de consument. Hier snapte de consument niets van. Hij had toch een “garantie” aangeschaft.

“Nee”,  zei de geschillencommissie hierop: “de Nationale Hypotheek Garantie is helemaal geen garantie maar een borgstelling”. De consument werd in het ongelijk gesteld.

Een product verkopen onder de naam “Garantie” terwijl dit geen garantie is. Met de beleidsregel informatieverstrekking in de hand loop ik met de vraag of dit geen benaming is waarop de term “misleiding” geplaatst kan worden?

Link naar beleidsregel:

https://www.afm.nl/nl-nl/professionals/nieuws/2018/dec/beleidsregel-informatieverstrekking

Link naar uitspraak Kifid

https://www.kifid.nl/wp-content/uploads/2018/08/Uitspraak-2018-346.pdf

 

Meisje met fiets

Jurjen Oosterbaan-Martinius

Het is twee uur in de nacht. Ik rijd met de auto naar huis. Een lange tweebaansweg met aan de zijkant een fietspad en bomen. Het miezert. U heeft een beeld? Op dat fietspad loopt een meisje naast haar fiets. Waarschijnlijk een lekke band. De vraag is: wat doet u? Wat doe ik?

Moet ik als man stoppen? Het arme kind krijgt een rolstuip. Wat als ik doorrijd en morgen lees dat er iets verschrikkelijks met dat meisje is gebeurd? Wat als ik stop en het meisje akkoord gaat dat ik haar naar huis breng? Wat als zij mij vervolgens ten onrechte zal beschuldigen van ongepast gedrag?

Risico

In dit #MeToo-tijdperk wordt dit een kansloze wedstrijd. Zal ik dat risico lopen? Of moet ik toch stoppen, het meisje vragen haar ouders te bellen, en te vragen of het goed is dat ik het arme kind naar huis breng? De politie bellen en aangeven dat er op die stille enge weg een meisje alleen loopt? Of toch maar doorrijden en het beste ervan hopen? Ik weet niet of er onder de lezers mensen zijn die andere oplossingen hebben? Misschien zie ik heel logische alternatieven over het hoofd. Maar nu heb ik die andere mogelijkheden nog niet voor ogen.

Verkramptheid

Wat doet deze vraag in een vakblad voor financieel specialisten? Ik zie deze vraag als een illustratie van de verstoorde samenleving waarin we op dit moment leven. Natuurlijk is de meest logische gang van zaken dat je als verantwoordelijke oudere stopt en vraagt: ‘zal ik je even naar huis brengen?’ Maar aan beide kanten is er angst die leidt tot verkramptheid.

Wantrouwen

Diezelfde verkramptheid zie ik in onze sector. De adviseur die het goede wil doen en bang is dat de klant hem vervolgens aansprakelijk stelt, omdat hij iets heeft gedaan wat hij had moeten nalaten. Of juist iets heeft nagelaten wat hij eigenlijk had moeten doen. Ook aan de zijde van de klant is er wantrouwen. Is het een oprecht advies of probeert iemand je iets te verkopen wat je eigenlijk niet nodig hebt? Komt die uitkering er wel wanneer de calamiteit zich voordoet of is er dan weer sprake van de uitzondering op de uitzondering? Wantrouwen domineert. We laten daarom de consument document na document tekenen. Gezien. Akkoord. Mee eens.

Good faith

Al dat gestolde wantrouwen leidt maar tot één ding: gebrek aan actie, het erbij laten zitten, niet datgene doen wat we eigenlijk zouden willen doen. Dat is niet zoals we willen zijn en werken. Wat we wel willen? Onze Engelse vrienden omschrijven dat zo treffend: het werken in een relatie gebaseerd op een relatie die beheerst wordt door utmost good faith.

Ik heb voor 2019 veel wensen. Eén daarvan is dat we als sector weer durven te doen wat we het liefst doen. Gewoon zonder achterdocht doen wat ons hart ons ingeeft: klanten helpen de juiste keuzen te maken. En als we midden in de nacht een meisje naast haar fiets zien lopen, haar gewoon onbezorgd een lift aanbieden.

Deze blog verscheen eerder als column in am:46.

Meer aandacht voor kwaliteit schadebehandeling is wenselijk

Jurjen Oosterbaan-Martinius

Ik bedoel het echt goed. Toch weet ik dat deze blog onbedoeld een aantal mensen boos en verdrietig gaat maken. Dat is niet mijn bedoeling. Ik ben ervan overtuigd dat zowel bij de verzekeraars als bij het intermediair het overgrote deel van de mensen elke dag weer hun best doet om de consument goed en eerlijk te behandelen. Dat gezegd hebbende, wil ik  in deze blog toch mijn zorgen uiten over de ontwikkeling van de kwaliteit van schadebehandeling.

De samenleving verandert razendsnel. De vraag “wie is aansprakelijk” wordt daardoor in de praktijk steeds moeilijker te beantwoorden. Ook de vraag “wat is de schade” wordt steeds ingewikkelder. Hoe complex  de afhandeling van schades is geworden, is in het groot te zien bij een zaak als het faillissement van Imtech waar de gezamenlijke advocaten en consultants al voor meer dan 100 miljoen aan adviezen verspijkerd hebben, terwijl de rechtszaak nog moet beginnen. In het klein merkt elk verzekeringskantoor dat ook. Steeds vaker zijn er schadedossiers die ingewikkelder blijken te zijn dan in eerste instantie was gedacht.

Aan de zijde van verzekeraars zie ik veel concentraties. Bestaande werkverbanden worden opgeheven en nieuwe teams worden samengesteld. Ook wordt het assortiment producten vernieuwd. Oude voorwaarden worden niet meer gehanteerd en nieuwe voorwaarden moeten zich in de praktijk nog bewijzen. Bij veel aanbieders moeten ouderen met veel ervaring, al dan niet gedwongen, uitstromen. Bij dat alles is er een DNB die telkens weer zorgen uit over de magere technische resultaten van schadeverzekeraars en aandringt op meer financiële buffers. Geen beeld dat ideaal is voor een optimale kwaliteit van schadebehandeling.

De druk om te komen tot een beter technisch resultaat heeft ook gevolgen voor het volmacht bedrijf. Openlijk wordt er weinig over gesproken, maar in gesprekken met volmachtkantoren hoor ik het zo vaak dat het wel waar zal zijn: veel volmachtgevers kijken scherper naar het resultaat van de volmacht. Dat heeft gevolgen voor de acceptatie en ook voor de wijze waarop schades worden beoordeeld.

Bij schades zijn vaak in alle oprechtheid twee visies te verdedigen. Die van de klant en die van de aanbieder. De druk op het technisch resultaat dwingt het volmachtkantoor het belang van de verzekeraar in zijn afweging zwaar te laten wegen. Dat was waarschijnlijk altijd al de bedoeling bij de idee dat volmacht een vorm van uitbesteding is. Maar waar in de praktijk volmacht wordt gezien als een inkoopmechanisme in het belang van de klant is deze afweging minder voor de hand liggend.

Kijken we naar het advieskantoor dan is er ook reden tot zorg. Het mag zo langzamerhand bekend zijn dat ik veel voordelen zie in provisie als methode om de kosten van de adviseur te vergoeden. Dit betekent echter niet dat ik mijn ogen sluit voor het feit dat provisie ook nadelen kan hebben.

Een nadeel van provisie doet zich voor bij de kwaliteit van schadebehandeling. Goede schadebehandeling kost geld. Binnen een provisie-stelsel is de schadebehandeling een kostenpost. Als ondernemer ben je geneigd voortdurend goed de kosten in het oog te houden. Ik weet het: goede schadebehandeling is de beste reclame voor je kantoor. Maar toch. Schadebehandeling behelst meer dan stellen dat je vindt dat de verzekeraar moet uitkeren. Goede schadebehandeling houdt in, dat je dit standpunt ook kunt onderbouwen. Op basis van bijvoorbeeld polisvoorwaarden, jurisprudentie, uitspraken KiFiD, enz.

Schadebehandelaars op financieel advieskantoren hebben op dit moment geen eigen vereniging. Hun adviserende collega’s hebben die wel en vermelden vaak (en terecht) op hun profiel pagina hun lidmaatschap van de organisaties die er voor hen zijn.

De adviserende collega’s kunnen ook gedurende het jaar eindeloos veel opleidingen volgen. Gewoon omdat er zoveel verandert en iedereen beseft dat “bijblijven” een must is.

Schadebehandelaars hebben geen eigen beroepsvereniging, geen erecode, geen benchmark van beloning en prestaties en nauwelijks of geen eigen beroepsopleidingen. Daarnaast is voor de schadebehandelaar op het financieel advieskantoor specifiek ontwikkelde vakliteratuur slechts beperkt aanwezig.

Financieel advieskantoren vervullen een belangrijke functie binnen onze samenleving. Daarbij zullen zij steeds nadrukkelijker de functie krijgen van belangenbehartiger van de klant. De ontwikkeling naar verdere transparantie van beloning zal dit proces alleen maar versnellen. Daarbij zal het financieel advieskantoor moeten vechten om onderscheidend te zijn en te blijven.

Een kwalitatief excellente schadebehandeling, waarbij de gerechtvaardigde belangen van de klant centraal staan, hoort daarbij. Kantoren kunnen dat zelf inrichten, of dit organiseren via samenwerkingen met collega’s. Schadebehandeling “erbij doen” is denk ik geen optie  die succes zal brengen.

Overheidspolis

Jurjen Oosterbaan-Martinius

De Wet op het Financieel toezicht, Wft, en de daaraan verbonden wet- en regelgeving is complex. Als DFO zijn we inmiddels de grens van 800 nieuwbrieven over alleen al de Wft gepasseerd en elke dag komen wij weer nieuwe aspecten tegen die we graag met de lezers delen.

De materie is omvangrijk en ingewikkeld. Wanneer ik toch probeer al die duizenden pagina’s gortdroge tekst tot één zin terug te brengen dan zou dat zijn: het bevorderen dat de consument ook op langere termijn bij de aanschaf van een financieel product of dienst de zekerheid krijgt die hij wenst en nodig heeft”.  Bijna alle bepalingen uit de Wft zijn eigenlijk terug te brengen tot dit “moederdoel van alle Wft doelen”.

Het is vanuit deze wens om zekerheid te leveren dat we sinds 2006 hebben leren denken in scenario’s. We hebben afgeleerd de focus te veel te richten op het nu. Meer dan in het verleden proberen we na te denken welk onheil de consument in de toekomst op zijn levensweg kan tegen komen.

Dus (om maar eens een uitspraak van een bekend politicus te citeren) gaan we nadenken wat de gevolgen zijn indien de kerngezonde klant die voor ons zit door ziekte of ongeval arbeidsongeschikt wordt. Maar ook bij dat dolverliefde stel dat tijdens dat saaie gesprek over de hypotheek nauwelijks van elkaar kan afblijven, gaan we serieus in op de situatie van echtscheiding en gebruiken we geleerde begrippen als “draagplichtovereenkomst”. Daarnaast staan we met die carrière-tijger natuurlijk ook  grondig stil bij de inkomensterugval bij werkloosheid. De onzekere toekomst proberen wij te vangen binnen de lijnen van het Excel programma.

Alle onzekerheid gevangen? Nee. Een kleine maar krachtige groep overheidsdienaren blijft moedig weerstand bieden aan de zekerheidsbrengers en maakt het leven van de consument en financieel dienstverleners hierdoor niet gemakkelijker.

Op basis van de huidige gegevens rekenen we de betaalbaarheid van de woonlasten over een langere periode uit. Maar ondertussen zien we elk jaar dat de overheid weer nieuwe maatregelen neemt die alle in het verleden opgestelde scenario’s rijp maken voor de papierbak. Zo kan het gebeuren dat de hoogste ambtenaar van het ministerie van Economische Zaken, Maarten Camps, ter gelegenheid van een vrolijk en gezond 2019 pleit om de al versnelde verlaging van de hypotheekrenteaftrek naar 36,9 procent gauw verder te beperken.

Het is de overheid die keer op keer met ad hoc maatregelen komt die voor individuele consumenten ingrijpende gevolgen hebben en de door financieel adviseurs met zorg gemaakte toekomstscenario’s lomp doorkruisen. Maatregelen die haaks staan op die centrale doelstelling van de Wft: zekerheid op langere termijn bieden.  Maar daar hoor ik de AFM nu nooit over.

Als sector hebben we polissen voor zo ongeveer alle onzekerheden in het leven. Een polis tegen de onverwachte, financiële gevolgen van nieuwe overheidsmaatregelen is er nog niet. Toch eens een mail sturen aan afdeling innovatie van het Verbond.

Vervreemding

Jurjen Oosterbaan-Martinius

“Welke veranderingen in 2019 hebben de meest impact op de adviessector”? en “Welke verandering gun je de adviessector in 2019” Op die vragen gaf Jurjen Oosterbaan Martinius van DFO in het VVP de volgende antwoorden:

Welke verandering heeft in 2019 de meeste impact op de adviessector?

“Het is verleidelijk om op deze vraag het bekende rijtje van ontwikkelingen zoals voortgaande digitalisering, transparantie van beloning en schaalvergroting te noemen. Dat zullen ongetwijfeld zaken zijn waarmee we in 2019 allemaal te maken krijgen. Maar, ik denk dat een andere, meer allesomvattende ontwikkeling, een grotere impact zal hebben. Die ontwikkeling wil ik omschrijven met het begrip ‘vervreemding’.

We leven in een tijdsperiode waarin op vrijwel alle gebieden vertrouwde relaties onder druk staan en partijen van elkaar vervreemden. Hoe we de relatie met de Verenigde Staten ervaren is hiervan een internationaal voorbeeld. Een natie die zich in twee wereldoorlogen met ons verbonden voelde, begint voor ons steeds meer ‘een vreemde’ te worden.

Nationaal zien we dat alle traditionele instituten de verbinding met hun achterban hebben verloren. Of je nu kijkt naar de vakbonden, de kerk of de politieke partijen, het beeld is hetzelfde, ‘we’ hebben er niets meer mee.

Kijken we naar de financiële sector dan zien we hetzelfde. De Rabobank wordt niet meer ervaren als de coöperatie die het op papier is. Waar in 1995 we via het acht uur journaal collectief trots waren op ‘onze’ Aad Jacobs die de Engelse Bank Barings veroverde, halen we in 2018 onze schouders op wanneer dezelfde bank een boete krijgt van 750 miljoen euro. Wij zijn niet meer collectief trots op onze banken en verzekeraars. Financiële instellingen zijn voor veel consumenten uitwisselbaar geworden.

Vervreemding leidt tot onderling wantrouwen en legt de focus op eigen belang. In zulke omstandigheden is het bieden van echte zekerheid moeilijk. Verdergaande onderlinge vervreemding ligt denk ik aan de basis van veel van de dossiers waarover we ons in het komend jaar druk gaan maken.”

Welke verandering gun je de adviessector om de missie (van waarde zijn en blijven voor klanten) ook in 2019 waar te maken?

“In de afgelopen tien jaar is er een toenemende vervreemding opgetreden tussen verzekeraars en het intermediair. Enerzijds is het inzicht bij aanbieders dat het intermediair een belangrijke rol kan hebben in hun distributiestrategie weer groeiende. Anderzijds signaleren we bij veel (jonge) medewerkers van de aanbieders een hiaat in de kennis over de cultuur, de gevoelens, de werkwijze en de economische kengetallen van het intermediair.

Wil je de consument echte zekerheid kunnen bieden, dan heb je ‘laarzen op de grond’ nodig. Adviseurs die de werkelijke behoeften van klanten aan zekerheid kunnen vertalen naar zekerheid op papier. Adviseurs die voor de klant de weg in het labyrint van de logica van de aanbieders kunnen vinden. Dat vereist aan twee kanten de bereidheid om elkaar opnieuw te leren kennen en te waarderen. Dat geldt dus ook voor adviseurs. Alleen een geel hesje aandoen en roepen dat ze ‘allemaal boeven zijn’, leidt tot niets.

Meer en betere onderlinge verbinding. Dat is wat ik de aanbieders en adviseurs voor 2019 toewens. Omdat dit naar mijn overtuiging in het belang is van de consument. En dat is het enige wat echt zou moeten tellen.”

Bron: VVP 6 januari 2019: http://www.vvponline.nl/nieuws/visie-2019-jurjen-oosterbaan-afrekenen-met-vervreemding